op het alumni Plan sjarel

Na onze geïmproviseerde speech, besluiten we de rest van de AV nog bij te wonen. We zijn beiden diep onder de indruk van de gedisciplineerde en professionele manier waarop er wordt vergaderd. Onder de deskundige leiding van voorzitter Dennis De Roover wordt de agenda vakkundig afgewerkt. Het is me duidelijk. Dit is helemaal geen reis naar het verleden. Dit is een reis naar de toekomst. Back to the future. Hier zitten allemaal geëngageerde mensen verzameld die zich enthousiast inzetten voor een goede vertegenwoordiging van de belangen van de Leuvense studenten. Hier zitten gedreven mensen bij elkaar die, naast een goede academische opleiding, door hun engagement in de verschillende kringen en in LOKO uitstekend getraind zijn in het verdedigen van een standpunt, in het instuderen van dossiers, in het onderhandelen, in het zich inleven in het standpunt van anderen, in het maken van akkoorden. Dit is de toekomst. Over een aantal jaren zullen velen van hen een prominente rol spelen in de maatschappij. En zij zullen aan LOKO een uitgebreid netwerk overhouden. Een netwerk waarvan de verbindingen hopelijk nog verstevigd zijn door de vriendschappen die ontstaan zijn tijdens de Plan Sjarels. “Nos jungit amicitia.”

Na de AV worden we meegetroond naar zaal Albatros voor het Plan Sjarel van de LOKO Alumni. Het is nog steeds hetzelfde smerige feesthol als 20 jaar geleden. De urinelucht van vele generaties studenten komt me tegemoet in het smalle gangetje. Met de armen in elkaar gehaakt drink ik als teken van broederschap een ad fundum met LBK praeses P-J. Ik heb als eerste mijn bekertje leeg maar verslik me in het schuim. Kokhalzend verschuil ik me even achter de kapstok.

Vele aanwezigen komen een praatje maken. De ontmoetingen zijn warm en hartelijk. Ik word ook benaderd door verschillende “gemengde” koppeltjes die me emotioneel komen bedanken dat ze elkaar via het Plan Sjarel hebben leren kennen. Ik krijg een krop in de keel. Dit is de spirit! Gelukkig kan ik hem doorspoelen met plastic bekertjes vers blond gerstenat die voortdurend worden aangesleept door onvermoeibare en vooral onverzadigbare collega’s bio-ingenieurs.

Rond een uur of twee komt Benoit afscheid nemen. Hij moet morgen nog werken voor Joëlle. Ik besluit nog wat te blijven en als een rechtgeaarde boerenkotter tot het bittere einde door te gaan. “Nil volentibus arduum.”

Ik ben nooit een danser geweest. Tenzij na grote hoeveelheden pils om de sociale inhibitie te onderdrukken. Tegen het ochtenduur heb ik voldoende moed vergaard om toch minstens een trage te dansen. Ik voel me weer 24 jaar jong en nodig de sympathieke Céline, ondervoorzitter van de LOKO Alumni uit. Zij heeft haar voet gebroken en ik sleep haar hinkend over de dansvloer. Céline is de gezelligheid in persoon. Onze dansprestatie blinkt echter niet echt uit van elegantie. Dan maar een andere deerne gezocht. Mijn oog valt op een roodharige schone. Ik heb een zwak voor roodharigen. Mijn jongste dochter van 5 jaar is ook rood. En schattig. Met een eigen mening die je niet zomaar veranderd. Beleefd nodig ik de pulchram filiam uit ten dans. Ze wijst me af. Ik druip vernederd af naar mijn vrienden aan de toog. Mijn zelfvertrouwen is weer tot het normale niveau gezakt. Vertwijfeld drink ik mijn Hoegaarden in één teug leeg. Alle pils is inmiddels immers op. Ik doe mijn beklag bij de sympathieke praeses van Politika.

Plots verschijnen mijn LBK vrienden met de schone roodheid. Zij hebben haar overtuigd om mijn eer toch te redden. Gracieus neemt ze me mee naar de dansvloer. Dit beloofd. Ze blijkt Maud te heten en journalist te zijn. Het dansen lukt me niet goed meer. Veel te lang geleden. Of had ik beter die Hoegaarden niet gedronken ? Mengen is nooit goed. Maar ook de sympathieke Maud blijkt niet meer in staat om de dans in rechte banen te leiden. Op het einde van het nummer maak ik een buiging uit dankbaarheid voor mijn min of meer geredde ego en vervoeg opnieuw mijn vrienden aan de toog.

Het feest in den Albatros is voorbij en we besluiten nog even af te zakken naar de Seven Oaks. Buiten Jeroen, de KriCo, zijn de enige nog overlevenden boerenkotters: P-J, Matthieu en Nick. Echte mannen. De Seven blijkt echter niet meer het gezellige bluescafé van weleer te zijn. De massieve houten tafels zijn weg. De aanwezigen hebben vast nooit van de Leuvense blueslegenden Big Bill en Steve Turcksin gehoord. “Ene me hesp en ene me kees. Van doane me hesp krijgde groten dest … .” Mijnen “dest” is intussen voldoende gelest.

Om kwart over zes nemen we hartelijk afscheid van elkaar. Ik wandel door de sneeuw naar mijn hotelkamertje in Hotel Ibis in de Brusselsestraat. Terwijl ik warm ingeduffeld langs de archeologische opgravingen op het Fochplein loop, maakt een warm gevoel van grote dankbaarheid zich van me meester. Voor de heerlijk nostalgische nacht. Voor de vele nieuwe vrienden die ik vannacht heb gemaakt. Een broederschap die zowat een generatie overspant. En voor alles wat ik gedurende die 6 jaren in Leuven tussen 1985 en 1991 van de LBK en LOKO heb mogen leren en waar ik nog iedere dag plezier van heb. “O jerum, jerum, jerum. O quae mutatio rerum ?”  Wat een nacht. Na een comateuze slaap van enkele uurtjes kruip ik rond 11.30 uur in mijn auto om terug naar Hoogstraten te rijden. Ik voel me weer 44. Of eerder 84 jaar … Het sneeuwt en ik moet me goed concentreren op de weg. Onderweg staat radio Nostalgie op. Uit de boxen klinkt “Thunderstruck” van AC-DC.